|
Het lijkt een paradox. Vraag: ‘Hoe krijg je tegenwoordig een kerk vol?’ Antwoord: ‘Door haar te sluiten’. Dit antwoord zal echter niet leiden tot een hernieuwd aantal kerkgangers. Een volle kerk heeft tegenwoordig te maken met afscheid nemen van een tijdperk waarin onze Nederlandse parochies worden geconfronteerd met een afkalvend kerkbezoek. Zondag 13 november waren de kerkbanken in Hedikhuizen tot de laatste plaats bezet en namen velen genoegen met een staanplaats. Tot voor kort waren er nog slechts een handjevol Hedikhuizers die deelnamen aan de liturgie. Nu is dat niet zo vreemd in een vergrijzende dorpsgemeenschap van zo’n 200 à 300 zielen. Wel typisch is het feit dat het aantal vrijwilligers dat zich wil inzetten voor ‘de kerk’ het aantal kerkgangers gaat overtreffen. Enerzijds duidt dat op een grote gemeenschapszin, waarbij mensen behoefte hebben aan contact met hun medebewoners, anderzijds kan worden geconstateerd dat met name de ontwikkelingen in de katholieke kerk een frequent kerkbezoek negatief beïnvloeden. Het vasthouden aan een sterk hiërarchisch bestuursorgaan dat gericht is op handhaving van de kerkelijke wetten en rituelen werkt in deze tijd niet meer.
De mensen van nu zijn niet meer hetzelfde als hun soortgenoten van de eerste helft van de vorige eeuw. Onderdanigheid aan het gevestigde gezag, zowel op kerkelijk als wereldlijk gebied hield de mensen in het spoor van de kerk. Niet dat de meeste gelovigen van toen zich bewust waren van wat ze geloofden. Eenvoudig doen wat de pastoor hen voorhield was voldoende om een deugdzaam aards bestaan te belonen met het uitzicht op een opname in het hemels paradijs. Je moest er wat voor doen en vooral laten, maar de meesten konden zich vinden deze simpele manier van leven. De 60- en 70-plussers van nu zullen zich maar al te goed herinneren hoe het er op zondag in en om de kerk aan toeging. Al voor het uitspreken of zingen van de woorden Ite Missa Est verdrong de godvrezende gemeenschap zich aan de kerkdeur om als eerste buiten te komen. Niet omdat men zo’n haast had. Nee, de mannen verzamelden zich op de straat, waar autoverkeer nog een zeldzaamheid was. Zij staken een lang ontbeerde sigaar of sigaret op en mengden zich in de discussie over allerlei lokale aangelegenheden. Velen vervolgden daarna hun samenzijn in het dranklokaal van het nabije café. De vrouwen haasten intussen taakbewust naar huis waar zij zich bezig hielden met de opvoeding van de kinderen en het bereiden van de zondagse soep.
De gelovige van nu beschikt over meer mogelijkheden zich te verdiepen in de zin van het bestaan. Daarbij stelt men zich vragen over de betekenis en de achtergrond van ‘Het Geloof’. De kerk, verschaft daartoe ook best wel mogelijkheden. Nooit tevoren werden er zoveel cursussen gegeven en discussieert men over allerlei geloofzaken, terwijl er volop levensbeschouwelijke literatuur wordt ‘geconsumeerd’. Tegelijkertijd daalt het aantal priesterroepingen, waardoor het steeds moeilijker wordt een parochie te ‘besturen’. Parochies worden noodzakelijkerwijs samengevoegd, waardoor het werkgebied van de herder zich alsmaar uitbreidt. Dat bemoeilijkt zijn taak om de kudde bij elkaar te houden. Hij wordt daarbij weliswaar ondersteund door pastorale werkers en diakens, maar deze worden aangesteld door het bisdom.
Logisch zou zijn dat vanuit het bisdom de inzet van vrijwilligers zou worden aangemoedigd. Aan de bereidwilligheid van de parochianen ligt het niet. Zij zetten zich in voor huisbezoek, stervensbegeleiding, voorbereiding op de eerste communie en dat soort zaken. Maar als het aankomt op lekenapostolaat dan stelt het bisdom zich erg dogmatisch op. Het voorgaan in woord en communiedienst bijvoorbeeld wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegestaan. Ook de parochievergaderingen, waarbij soms verstrekkende maatregelen worden besproken zijn inmiddels afgeschaft. Dat houdt in dat de pastoor naast zijn herderlijke taal ook een soort management functie krijgt toebedeeld. Een soort geloofsmanager dus. En wat is het lot van de vele mooie aan de eredienst onttrokken kerkgebouwen? Hier zijn twee mogelijkheden voorhanden: de sloophamer hanteren of verkopen. Maar vallen deze gebouwen dan ten prooi aan een partycenter of krijgen ze een bestemming, die ruimte biedt aan de vele vrijwilligers die zich inzetten voor kerk en maatschappij?

15-11 2011 (c) Tekst: André van der Heijden Foto: Ad van Kessel
|